Lo And Behold! (1967) - door Jochen

Lo And Behold! (1967)

"What's it to ya, Moby Dick?
This is chicken town!"
Wonderlijke weelderigheden te over, in de sprankelende Basement Tapes-parel “Lo And Behold!” en chicken town is slechts een van de vele. Dertien jaar later intrigeert die pluimveeverwijzing weer, als de ongelauwerde hofdichter van de No Future Generation, John Cooper Clarke, ook al in een Kippenstad blijkt te verwijlen.
John Cooper Clarke (Salford, 1949) is een Britse performance poet en als hij zijn zonnebril opzet, is hij een kruising van de jonge Dylan en Ronnie Wood. Met Dylan heeft hij wel meer gemeen: zijn poëtische ader en een meeslepend talent om zijn poëzie ritmisch en melodieus te verwoorden. Verdere vergelijkingen gaan mank. Muzikaal laat Cooper Clarke zich bij voorkeur door kale, stuwende percussie begeleiden, soms een baslijn, af en toe een paar verdwaalde pianoklanken of wat industrieel gitaargeweld. En de catalogus is al helemáál onvergelijkbaar: de Brit neemt vier albums op tussen 1978 en ’82, en dat is het dan wel. Hij blijft optreden, tot op de dag van vandaag, maar laat zich daarbij nog maar zelden muzikaal begeleiden.

Zijn pièce de résistance is het daverende gedicht “Evidently Chickentown” uit 1980, een ritmisch spervuur van profane wanhoop, waarbij elk couplet eindigt met de moedeloze vaststelling dat de protagonist nog steeds vast zit in Chicken Town:

The bloody cops are bloody keen
To bloody keep it bloody clean
The bloody chief's a bloody swine
Who bloody draws a bloody line
At bloody fun and bloody games
The bloody kids he bloody blames
Are nowhere to be bloody found
Anywhere in chicken town

Het gedicht heeft de twintigste eeuw al overleefd. Met enige regelmaat blijft het langskomen in documentaires over het Engeland van Thatcher, in films (bijvoorbeeld in Anton Corbijns Control) en zelfs in Amerikaanse TV-series – het klinkt over de aftiteling van een aflevering van The Sopranos in 2007.
Terugkerend in de lofprijzingen en de nu weer oplaaiende discussies over het werk is de vraag wat dat Chicken Town toch is. Die vraag lossen de altijd actieve en immer uitdijende Dylanblogs en Dylanduiders al niet bevredigend op, zelfs Greil Marcus ontwijkt vierentwintig bladzijden lang een duiding van deze plaatsnaam (het hoofdstuk Time Is Longer Than Rope in zijn “Invisible Republic” is een woest uitwaaierend essay over “Lo And Behold”) en de Cooperbewonderaars komen er ook niet uit.



Contextueel levert het werk geen clou, en die zal er ook niet zijn; een ontketende Dylan gaat zich hier te buiten aan een dartel, springerig associatiespel, zonder zich te bekommeren om zoiets irrelevants als intrinsieke logica of een zelfs maar dunne verhaallijn. Dat Chicken Town heeft hij ook maar ergens opgepikt – bij streekgenoot Joseph Kalar ( 1906-1972) vermoedelijk, de proletarische poëet die net als Dylan geboren en getogen is op de Iron Range in Minnesota. Zijn bijnaam Rimbaud from the Northern Woods is niet helemaal sluitend, maar zal Dylan net zo aangetrokken hebben als Kalars onmiskenbare Woody Guthrie-achtige uitstraling, hobo-verleden en arbeidershart. Zijn proza, en dan vooral zijn ”proletarische schetsen”, vangt idioom en dialect van de mijnwerkers en heeft een poëtische kracht en schoonheid die we terughoren in Dylans Kronieken. Daarin, in die prozaschetsen, komen we ook herhaaldelijk beschrijvingen tegen van Chicken Town, kennelijk een (bijnaam voor een) wijk van het mijnstadje Merritt – bijvoorbeeld in de Mesaba Impression “Dust of Iron Ore”, een fascinerende schets van het mijnwerkersleven tijdens de Great Depression van de jaren ’30.

Het is maar een detail, dat chicken town, een van de minder opvallende zelfs. Eromheen weeft Dylan myriadische, veelkleurige hersenspinselen van halfbekende tekstsnippers en troebele verwijzingen. Flarden als “I hung my head in shame” en zinsconstructies als “An’ boys, I sure was slick” komen uit het country-idioom, het refrein “Lo and behold” is Bijbels (hoewel deze specifieke woordcombinatie nergens voorkomt in de Bijbel) en kreten als “Round that horn” of “Gonna thread up” doen reuze authentiek aan, maar zijn volstrekte kolder, Spielereien met uitdrukkingen. “To pick up the thread” bestaat en betekent, net zoals in het Nederlands, de draad weer oppakken, “round the Horn” is eigenlijk een nautisch begrip; het ronden van Kaap Hoorn. Hier, door de combinatie met het al even onzinnige “ride that herd” associeer je dan eerder met een vertreksignaal (“sound the horn”, “round up”, zoiets).
Alles bij elkaar kleurt het de wisselende gemoedstoestanden van de protagonist, zo te horen een vrij jonge man die me nogal een reis onderneemt. Vanaf een onbekend vertrekpunt gaat hij op weg naar San Antonio, hij komt door Pittsburgh (dus het vertrekpunt zou geografisch gezien best West Saugerties kunnen zijn, vanuit de Big Pink dus) en vanaf daar is het nog ruim 2400 kilometer. Maar na zo’n duizend kilometer strandt hij in Tennessee en gaat dan uiteindelijk toch maar weer terug naar Pittsburgh – in vier coupletten legt onze held een paar duizend kilometer af. Als hij dat ook nog ’s allemaal met de trein wil doen (hoewel “coachman” ook, heel ouderwets, koetsier kan betekenen), moet hij óf eindeloos overstappen, of flink omrijden, via Chicago, en is hij minimaal drie dagen kwijt.

Onderweg ontmoet hij Moby Dick, besluit hij tot de aanschaf van een kudde rendieren (van het soort dat kan vliegen, familie van Rudolf met z’n rode neus, blijkbaar) en reist hij een stukje met een reuzenrad – pure apekool dus. Des te komischer zijn dan de covers die het lied met bloedeloze ernst te lijf gaan (Invisible Republic is een mooi voorbeeld), of, minder komisch, de humorloze, tenenkrommende artiesten die enige pathos in de zinledige flauwekul proberen te leggen. Tribuutbandjes trappen vaak in die val en van de ambitieuzere artiesten is B-acteur Marjoe Gortner een hoogte/dieptepunt, op de LP Bad But Not Evil – hoewel dat volgens Billboard destijds (1972) een “sterk debuut” was, van een “hot film star”.
De positieve uitzondering is de versie van Coulson, Dean, McGuinnes, Flint op misschien wel het mooiste Dylancoversalbum ooit, Lo And Behold uit 1972. Het harige Britse kwartet excelleert onder leiding van producer Manfred Mann, de hitgevoelige meestermuzikant die zelf al tot de beste Dylanvertolkers gerekend mag worden. Pure rock ‘n’ roll, weliswaar – het klinkt ongeveer als Lou Reed’s “Vicious” gespeeld door Bad Company – maar toch bijna zo onweerstaanbaar, vrolijkmakend als het origineel. Maar uiteindelijk wordt dat origineel van Dylan met The Band alleen nog geëvenaard door de take 1 die we dankzij The Basement Tapes Complete kennen. Die eerste opname zet nog een graadje droogkomischer in, maar Dylan loses his cool; na het derde couplet schiet hij in de lach. En even later nog een keer. Erg aanstekelijk.

Lo And Behold!

I pulled out for San Anton',
I never felt so good.
My woman said she'd meet me there
And of course, I knew she would.
The coachman, he hit me for my hook
And he asked me my name.
I give it to him right away,
Then I hung my head in shame.
Lo and behold! Lo and behold!
Lookin' for my lo and behold,
Get me outa here, my dear man!

I come into Pittsburgh
At six-thirty flat.
I found myself a vacant seat
An' I put down my hat.
"What's the matter, Molly, dear,
What's the matter with your mound?"
"What's it to ya, Moby Dick?
This is chicken town!"
Lo and behold! Lo and behold!
Lookin' for my lo and behold,
Get me outa here, my dear man!

I bought myself
A herd of moose,
One she could call her own.
Well, she came out the very next day
To see where they had flown.
I'm goin' down to Tennessee,
Get me a truck 'r somethin'.
Gonna save my money and rip it up!
Lo and behold! Lo and behold!
Lookin' for my lo and behold,
Get me outa here, my dear man!

Now, I come in on a ferris wheel
An' boys, I sure was slick.
I come in like a ton of bricks,
Laid a few tricks on 'em.
Goin' back to Pittsburgh,
Count up to thirty,
Round that horn and ride that herd,
Gonna thread up!
Lo and behold! Lo and behold!
Lookin' for my lo and behold,
Get me outa here, my dear man!

2 opmerkingen:

Arie de Reus zei

https://en.wikipedia.org/wiki/John_Cooper_Clarke

Anoniem zei

Een moose is geen rendier, maar een eland. (En die leven niet in kudden, maar vooruit in dit lied kan alles.)
Frans